Als de relatie eenmaal stabiel is, fluistert een deel van je brein: je zit gebeiteld. De buit is binnen. Waarom zou je nog moeite doen? Dat is geen karakterfout, dat is evolutie. John Slabbekoorn legt het haarscherp uit: ons reptielenbrein, het oudste deel van onze hersenen, heeft twee functies. De eerste is ons fysieke lichaam beschermen. Nuttig. Maar de tweede functie is minder handig: het haat elke vorm van verandering en is volledig comfortgedreven. Het wil alles houden wat het al kent.
Vroeger was dat brein perfect afgesteld op overleven. Als man ging je erop uit, je joeg, je vocht voor eten en onderdak. Als je dan iets veroverde, voelde je een echte beloning. Die beloning motiveerde je om de volgende dag opnieuw te gaan. Maar vandaag de dag? Je hoeft niet eens van de bank af. Eten bestel je met één klik, entertainment staat klaar op elk scherm, en een nieuwe partner vind je door te swipen. Die echte beloning voor echte moeite, die verdwijnt langzaam. En wat verdwijnt met de beloning? De motivatie om te blijven gaan.
In relaties werkt dit precies zo. In het begin doe je alles: je plant dates, je let op jezelf, je bent nieuwsgierig naar de ander. Maar zodra je trouwt, kinderen krijgt, een huis deelt, fluistert dat reptielenbrein: nu kan het wel iets minder. Je bent fit getrouwd, nu groei je uit tot een canapé-versie van jezelf. Je was aanwezig, nu ben je er wel maar niet echt. Snap je het verschil? Aanwezig zijn is niet hetzelfde als er echt zijn.
Het zit niet in slechte bedoelingen. Het zit in programmering. Maar programmering is te overschrijven, als je bereid bent eigenaarschap te nemen over je eigen gedrag.